1 september 2018

Was mir behagt, ist nur die muntre Jagd, BWV 208 (Jachtcanate)
Was mir behagt, ist nur die muntre Jagd! (BWV 208) is een niet-kerkelijke maar seculiere, wereldlijke gelukwenscantate die Bach in 1713 componeerde. Bach was nog organist en nog geen kapelmeester aan het hof van hertog Wilhelm Ernst von Sachsen-Weimar; hij had daar dus ook nog geen cantates gecomponeerd maar kreeg van zijn principaal al wel de opdracht om, met Oberkonsistorialsekretär Salomon Franck als tekstschrijver, een cantate te componeren voor de éénendertigste verjaardag van hertog Christian von Sachsen-Weißenfels (1682-1736), als cadeautje van Bachs broodheer aan diens bevriende relatie in het naburige Weißenfels, die als hartstochtelijk jager bekend stond.
BWV 208 is de oudste ons bekende wereldse cantate van Bach en het is de eerste keer dat we Bach het uit de italiaanse opera afkomstige genre van de kamercantate zien beoefenen. Recitatieven en da-capoaria’s op madrigale, vrij gecomponeerde teksten hadden tot dat ogenblik nog geen plaats in de cantates die we van hem kennen.
Bachs zogeheten ‘Jagdkantate’ werd 23 februari 1713 uitgevoerd als tafelmuziek bij een banket in het jachtslot van hertog Christian, na een jachtpartij ter gelegenheid diens eerste verjaardag als hertog in functie.
De cantate is opgezet als een ‘Dramma per musica’: de zangers zijn handelende personages tussen wie de dramatische interactie trouwens tot een minimum beperkt blijft. De actoren die achtereenvolgens toesnellen om de hertog met zijn verjaardag te feliciteren zijn in dit geval (en vaker in dit genre) figuren uit de antieke mythologie, want gelukwensen zijn natuurlijk alleen memorabel als ze van hiërarchisch hoger geplaatsten afkomstig zijn, en dan zit je bij absolutistische vorsten al gauw in de grieks/romeinse godenwereld. Voor meer info zie https://eduardvh.home.xs4all.nl/BWV/208.html.

Motet Lobet den Herrn, BWV 230
Motetten componeerde Bach slechts voor enkele speciale gelegenheden; we kennen er thans een stuk of tien, waarvan drie voor begrafenissen van plaatselijke vooraanstaanden. Pas in 1821 dook het motet Lobet den Herrn op, in een gedrukte versie, die twijfel oproept aan Bachs auteurschap. Lobet den Herrn wijkt ook nogal af van de andere motetten: het is slechts vierstemmig terwijl de andere motetten vijfstemmig of dubbelkorig zijn; het bestaat slechts uit één deel en duurt net zes minuten; het heeft een afzonderlijke continuopartij die niet samenvalt met de vocale baspartij, en het is niet opgetrokken rond een koraalmelodie maar behandelt een psalmtekst, de zeer korte Psalm 117.

Solisten zijn: Elvire Beekhuizen (sopraan), Eilsa Soster (sopraan), Erik Janse (tenor) en Frederik Bergman (bariton).
Jamie de Goei speelt op het Bátz-orgel Concerto C-dur, BWV 595 en Fantasia en Fuga a-moll, BWV 561.