Home

 De Stichting

Programma

Uitvoerenden

Vriend van onze stichting

Aanmelden als vriend

Nieuwsbrief aanvragen

Nieuwsbrief

J.S. Bach

Internationaal
Vocalisten Concours

Info over onze stichting

Privacyverklaring

Contact

 

7 september 2019

Bringet dem Herrn Ehre seines Namens (BWV 148)
Bach componeerde zijn Cantate 148 voor een zeventiende zondag na Trinitatis, ergens eind september, begin oktober, maar wij weten niet precies in welk jaar, want ons is slechts een partituurafschrift overgeleverd dat na Bachs dood tot stand kwam. De nalatenschap van Bachs zoon Carl Philipp Emanuel rekent het tot Bachs eerste jaargang (1723), maar diverse argumenten (zie hieronder) spreken voor 1725.
Ook weten wij niet wie de vrije teksten voor de delen 2-5 schreef, maar deze lijken wel sterk geïnspireerd door een Erbauliches Gedicht dat Bachs latere librettist Picander in 1725 publiceerde, maar dat zeer wel al eerder in één of andere vorm in Bachs omgeving kan hebben gecirculeerd. De tekst sluit aan bij de voor deze zondag voorgeschreven lezing uit het evangelie van Lucas (14: 1-11), waar wordt verteld hoe Jezus op een sabbat een aan ‘waterzucht' (oedeem) lijdende man geneest; de cantate borduurt uitsluitend verder op het aansluitende dispuut met joodse schriftgeleerden of men op de sabbat goede werken mag verrichten, en loopt uit op een lofzang op de zondagsheiliging die dichter bij de joodse orthodoxie lijkt te staan dan bij de vrijzinnige houding van Jezus en zijn discipelen. Dit feestelijke karakter verklaart wellicht de voor een gewone zondag ongebruikelijk royale instrumentale bezetting: trompet en drie hobo's, naast strijkers en continuo. De cantate heeft, anders dan zoveel andere cantates, een vrijwel wolkenloos zonnig karakter.